Tuesday, January 10, 2012

Douanegedoe

“Omdat je werkeloos bent, ga ik je geen toegang tot de V.S. verlenen.” De douanebeambte keek me nors en streng aan. Hij was bijna twee meter lang, had een fors postuur en droeg een indrukwekkende bruine baard boven zijn blauw-grijze uniform. Ik vertelde hem dat ik een x-bedrag aan spaargeld had op mijn Nederlandse rekening, maar die mededeling bleek niet voldoende. “Zorg dat je bank de proof of funds naar dit nummer faxt”, zei hij en gaf me een blaadje waarop hij een nummer had gekrabbeld. “Alleen als je kunt aantonen dat je genoeg geld hebt, laat ik je door.”
Ik had net de eerste honderd kilometer van mijn reis naar San José afgelegd en hier stond ik, op het punt gedwongen rechtsomkeert te maken. Bij het invullen van de registratieformulieren had ik vermeld dat ik werkeloos ben en dat bleek niet zo handig. Hoe kon ik in godsnaam tien dagen vakantie gaan vieren in de V.S. als ik geen inkomen had, had de douanier gevraagd. Voor hetzelfde geld zou ik illegaal in het land blijven.
Hoe kwam hij daar nou bij, dacht ik. Ik had niet voor niets mijn Canadese verblijfsvergunning bij me. Vertoon ervan zou de hele registratieprocedure bovendien een stuk eenvoudiger maken dan bij een ‘normale’ toerist. Dat was me vooraf verzekerd. Maar degene die dat zei, had een baan.
Waarom eigenlijk bestuurde ik een huurauto als ik in Canada woonde, vroeg de douanier. Ik zei hem dat deze auto zuiniger was dan mijn enorme Chevrolet Suburban. Dat ik nu via de verhuurmaatschappij verzekerd was voor eventuele pech onderweg. Dat leek me verstandig, zei ik ook nog. Hij vroeg of ik een werkloosheiduitkering kreeg. Ik ontkende. Ik had weliswaar geen vast werk, ik verdiende wel wat geld met freelance schrijfwerk. “Oh? Hoeveel verdien je daarmee per maand?”, vroeg de douanier.
“Drie- tot vierhonderd dollar”, antwoordde ik.
“Hoeveel heb je vorige maand verdiend?”
- “Ik denk ongeveer 1200 dollar. Ik heb een paar dagen bij een hotel gewerkt.”
“Wanneer heb je voor het laatst een artikel verkocht?”
- “Twee dagen geleden.”
“Hoeveel heeft je dat opgeleverd?”
- “Vijfenzeventig dollar.”
Mijn eerlijkheid (of was het naïviteit?) werkte niet in m’n voordeel en ik anticipeerde op een directe terugkeer naar Lethbridge. Ik dacht aan de huurprijs van de auto en hoopte dat ik een deel van mijn geld kon terugkrijgen. En het geld dat ik had betaald voor mijn reisverzekering. Het ergste was dat de reis niet zou doorgaan. Ik had er nota bene zo naar uitgekeken. Bovendien: hoe moest ik dit gaan uitleggen aan mijn vrienden in San José?
Ik vroeg me af hoe ik die proof of funds kon krijgen, vroeg de douanier hoe laat het was. Hij antwoordde ‘kwart over elf’ en keek me vragend aan. Ik zei dat ik vandaag gproosdijen meer kon krijgen omdat de bank in Nederland nu gesloten was. Maar geen nood, via internet kon ik mijn bankrekening raadplegen en zo laten zien dat ik over voldoende geld beschikte. Ik zou mijn iPad wel even uit de auto halen. “Doe wat je kunt doen”, zei hij nors en liep terug naar zijn bureau.
Het idee met de iPad werkte niet. Er was geen wifi voor bezoekers. Of ik even wilde wachten tot de douanier terug was, zei één van zijn collega’s. Na vijf minuten zag ik iemand opstaan en daar was die baard weer. Langzaam en statig liep hij naar voren. Hij had nog steeds die norse blik in de ogen alsof zijn mimiek in die stand was vastgeroest. “Loop mee naar die balie”, gebood hij, en nam plaats achter een computerscherm. “Ik laat je alsnog door. Dat is dan zes U.S. dollar.”
Pardon? Ik begreep er niets van - ik had hem, nog steeds niet voorzien van mijn proof of funds. Ik vroeg maar niet naar het waarom van de plotselinge toelating. Ik vond het allang best.
“Kan ik met credit card betalen?”, vroeg ik, nog steeds verbaasd.
“Geen probleem”, zei hij, en haalde mijn paspoort door de scanner. Daarna registreerde hij mijn vingerafdrukken, nam hij mijn foto, haalde hij mijn creditcard door een machientje en niette hij het groene visum in mijn paspoort. “Zorg ervoor dat je die groene kaart aan de Amerikaanse douane geeft als je weer de grens overgaat”, zei hij. “Have a nice trip, Erwin.” Heel even was de norse blik verdwenen.

Die dag heb ik 950 kilometer gereden door achtereenvolgens Montana en Idaho. Om 19.35 uur checkte ik in bij het Super 8 Motel van Blackfoot.